Spring naar inhoud

Duurzame vooruitgang

Van ambitie naar actie

4.1 Minder uitstoot, meer impact

CO₂-uitstoot verminderen raakt ons dagelijks werk. Met de duizenden installaties die we plaatsen en onderhouden, beïnvloeden we direct het energieverbruik van woningen en gebouwen. In 2025 brachten we dat besef concreet dichter bij ons vak.

​100 jaar zorgen voor toekomstige generaties

Sinds onze beginjaren vinden we het vanzelfsprekend om goed te zorgen voor wat we doorgeven. Vanuit die houding maakten we in 2019 een bewuste keuze: we begonnen zélf onze milieu-impact te meten en doelen te bepalen, nog voordat dat een verplichting werd. Collega’s verzamelden handmatig brandstof- en stroomgegevens en rekenden alles door. In datzelfde jaar legden we met het vernieuwde wagenparkbeleid de basis voor de verduurzaming en elektrificatie van ons wagenpark, met duidelijke keuzes voor auto’s met een lagere CO₂-uitstoot. Daarmee werd het wagenpark een van de eerste stappen in onze reductie-aanpak. 

Doelen richting 2030

We willen onze totale CO₂-voetafdruk ten opzichte van 2019 verlagen. Daar horen de volgende doelen bij:

  • In 2026 een verlaging van 20%
  • In 2028 een verlaging van 35%
  • In 2030 een verlaging van 50%
  • In 2050 willen we klimaatneutraal zijn

​Sinds 2025 staat de basis: inzicht dat richting geeft

Betrouwbaar meten wat we écht hebben gereduceerd 

2025 was voor ons een mijlpaal. We hebben nu de uitstootgegevens van drie jaren (2019, 2024 en 2025) compleet en gecontroleerd. Daardoor kunnen we nu betrouwbaar meten hoeveel we sinds 2019 hebben gereduceerd en dit voortaan blijven volgen. Het is een grote stap: jarenlang stonden gegevens verspreid door de organisatie en gebruikten we verschillende manieren van rekenen. Door de overstap naar één centraal dataplatform liggen alle berekeningen, aannames en controles nu vast. We kunnen daardoor scherper sturen, beter vergelijken en vooral veel bewuster kiezen welke acties écht effect hebben.

Aangescherpte afspraken, dagelijkse afwegingen 

In 2025 hebben we onze afspraken rondom duurzame keuzes verder aangescherpt. We werkten al langer met een merkenbeleid en voorkeursleveranciers, waarin we kiezen voor producten met een lagere CO₂-impact. We zien ook dat het in de praktijk soms zoeken blijft. Vestigingen moeten elke dag keuzes maken in werkdruk, levertijden en contractverplichtingen. Soms betekent dat dat we niet altijd voor de meest duurzame optie kunnen kiezen. Dat spanningsveld tussen ondernemerschap en onze duurzame richting herkennen we en houden we actief in de gaten.

De ontwikkeling van ons klimaattransitieplan 

Een groep collega’s is in 2025 gestart met het klimaattransitieplan. Zij onderzoeken per categorie waar de grootste kansen en uitdagingen liggen richting 2030. In gesprekken op vestigingen merkten we hoe belangrijk dit inzicht is. Zoals een van onze vestigingsdirecteuren zei: “We kunnen pas sturen als we precies weten waar we staan.” Dat we inmiddels dit soort gesprekken intern voeren, voelt voor ons als een mijlpaal. Sinds dit jaar hebben we steeds meer hetzelfde beeld van onze CO₂-uitstoot en de effecten van onze keuzes.

In de keten komt het gesprek op gang 

In 2025 voerden we regelmatig gesprekken met leveranciers en klanten over duurzame keuzes, CO₂-impact, levensduur en transparantie. Dat is nodig, want de productdata die we ontvangen is nog niet altijd volledig of goed vergelijkbaar. Veel fabrikanten zitten nog in de beginfase van datavolwassenheid, waardoor wij soms genoodzaakt zijn om te werken met voorlopige cijfers of aannames. Tegelijk zien we dat dit gesprek steeds vaker wordt gevoerd en dat partners stappen willen zetten. Klanten verwachten dat we meedenken over hun doelen en leveranciers staan steeds vaker open voor verbetering. Het laat zien dat we als keten steeds meer gezamenlijk dezelfde kant op bewegen. Het geeft vertrouwen dat we in de keten langzaam steeds meer op één lijn zitten.

Een groeiende bewustwording binnen de organisatie 

We spraken met alle divisies over hun grootste uitstootcategorieën, organiseerden sessies tijdens planbriefdagen en testten verschillende werkvormen om collega's mee te nemen. Niet alle informatie is compleet en sommige berekeningen kunnen nog accurater. Maar het inzicht groeit en dat is de basis voor de volgende stappen.

Witte vintage Breman bus geparkeerd op straat. (historische foto)
Elektrische Breman bus geparkeerd bij rivier met brug op de achtergrond.

Van oud naar nieuw. Stap voor stap naar duurzamere mobiliteit.

​Van referentiejaar naar nu: wat de cijfers laten zien

Voor de Nederlandse vestigingen van Breman hebben we de CO₂-voetafdruk nu betrouwbaar in beeld voor 2019 (basisjaar), 2024 en 2025. Daarmee kunnen we voor het eerst de ontwikkeling van onze uitstoot goed volgen. Alle cijfers in onderstaande tabel zijn berekend volgens het Greenhouse Gas Protocol

Onze CO₂-voetafdruk over drie jaren

Categorie (in ton CO₂e) 2019
(basisjaar)
2024
(vorig jaar)
2025
(huidig jaar)
% 2025
t.o.v. 2024
% 2025
t.o.v. 2019
Totaal scope 1 en 2-emissies (locatiegebaseerd) 7.363 5.659 5.174 -9% -30%
Scope 1-emissies
Totale scope 1-emissies 6.760 4.753 4.104 -14% -39%
Scope 2-emissies
Locatiegebaseerd scope 2 603 906 1.070 18% 77%
Marktgebaseerd scope 2 256 352 476 35% 86%
Scope 3-emissies
Totaal scope 3-emissies 607.332 368.371 386.198 5% -36%
1: Ingekochte goederen en diensten 49.015 40.503 39.644 -2% -19%
2: Kapitaalgoederen 4.125 3.984 8.914 124% 116%
3: Brandstof en energie 2.165 1.671 1.534 -8% -29%
4: Transport (upstream) 450 495 465 -6% 3%
5: Afval 363 452 351 -22% -3%
6: Zakelijk vervoer 46 27 35 30% -24%
7: Woonwerkverkeer 620 588 544 -7% -12%
11: Gebruik verkochte producten 549.070 319.560 333.482 4% -39%
12: End of life verkochte producten 1.479 1.092 1.229 13% -17%
Totaal broeikasgasemissies
Totaal BKG locatiegebaseerd 614.695 374.030 391.372 5% -36%
Totaal BKG marktgebaseerd 614.348 373.476 390.778 5% -36%

In 2025 ligt onze totale broeikasgasuitstoot lager dan in het basisjaar 2019, maar hoger dan in 2024. De stijging ten opzichte van 2024 hangt vooral samen met omzetgroei. Door een groter aantal verkochte en geïnstalleerde systemen neemt de uitstoot in scope 3, met name bij het gebruik van verkochte producten, toe. Tegelijkertijd blijft de totale uitstoot duidelijk onder het niveau van 2019. Dat bevestigt dat onze ingezette richting werkt en er tegelijk nog stappen nodig zijn. De ontwikkeling verschilt per scope, omdat onze invloed per onderdeel anders is.

Scope 1 en 2 – directe invloed

Scope 1 en 2 gaan over emissies waar we direct invloed op hebben. Onze scope 1‑emissies bestaan vooral uit brandstofverbruik van het wagenpark en in beperkte mate uit gasverbruik in onze panden. In 2025 zijn deze emissies verder gedaald ten opzichte van zowel 2019 als 2024. Dit is vooral het resultaat van ons elektrificatiebeleid, waarin staat dat vanaf 2023 alle nieuwe personenauto’s elektrisch zijn. Daarnaast werken we stap voor stap aan de elektrificatie van het bedrijfswagenpark. Deze keuzes leiden direct tot minder uitstoot.

De uitstoot van ingekochte elektriciteit is in 2025 toegenomen. Dat hangt samen met onze overstap naar elektrisch werken: meer elektrische voertuigen en de overgang van gasgestookte naar elektrisch aangedreven locaties. Deze ontwikkeling past bij onze verduurzamingsstrategie, maar leidt op korte termijn wel tot een hoger elektriciteitsverbruik.

Tegelijk zien we een duidelijk verschil tussen locatie‑ en marktgebaseerde emissies. Sinds 2024 kopen we voor onze eigen locaties uitsluitend Nederlandse groene stroom in. Daarmee benutten we onze directe invloed en verlagen we de uitstoot die samenhangt met het elektriciteitsverbruik.

Scope 3 – indirecte invloed

Het grootste deel van onze totale broeikasgasuitstoot vindt plaats in de waardeketen. Deze emissies ontstaan upstream en downstream, buiten onze eigen locaties. We hebben hier geen directe invloed, maar maken wel bewuste keuzes via samenwerking met leveranciers, klanten en gebruikers van onze installaties.

Ten opzichte van 2019 zijn de scope 3‑emissies duidelijk lager. Dit komt vooral door minder uitstoot tijdens de gebruiksfase van installaties, doordat steeds vaker wordt gekozen voor warmtepompen en andere duurzame oplossingen en minder voor de gasgestookte cv-ketel. Als vakmensen in de energietransitie dragen we hier dagelijks aan bij. Dit lichten we ook verder toe in hoofdstuk 5 Samen voor én met de klant.

Tegelijk zien we in 2025 een lichte stijging ten opzichte van 2024. Deze stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door een toename in de uitstoot bij het gebruik van verkochte producten. Deze uitstoot wordt beïnvloed door keuzes die we zelf maken, financiële randvoorwaarden bij klanten en ook spelen externe factoren zoals politieke besluiten en netcongestie een rol. Hierdoor kan niet in alle situaties direct voor de meest duurzame oplossing worden gekozen. Wij blijven ons inzetten om samen met klanten en ketenpartners stappen te zetten richting lagere uitstoot in deze categorie, maar zijn daarbij afhankelijk van samenwerking en de omstandigheden in de markt.

Daarnaast zien we een toename bij kapitaalgoederen (categorie 2) ten opzichte van 2024, als gevolg van investeringen in onze eigen locaties. Bij (nieuw)bouw maken we hierbij bewust duurzame keuzes. Een voorbeeld is het nieuwe pand van Installatiebedrijf T. Breman aan de Sasdijk in Genemuiden, waar is ingezet op circulair en toekomstbestendig bouwen. Via deze link lees je meer over onze nieuwe locatie. Deze investeringen leiden op korte termijn tot hogere uitstoot in scope  3, maar dragen op langere termijn bij aan een duurzamere bedrijfsvoering.

Een deel van de scope 3‑emissies in 2025 is nog gebaseerd op schattingen en spend‑based berekeningen. De datadekking verschilt per categorie. In bijlage 7.3 Zo zijn de cijfers opgebouwd lichten we toe welke methoden en aannames zijn gebruikt, welke gegevens nog ontbreken en hoe we hiermee zijn omgegaan.

8: Geleasde activa (upstream) 
Breman huurt op beperkte schaal panden en andere activa van derden. Voor een groot deel van deze locaties heeft Breman zelf het energiecontract en vallen de bijbehorende emissies onder scope 1 en 2. Voor huurpanden waarbij het energieverbruik door de verhuurder wordt geleverd en doorbelast, is sprake van scope 3-emissies. De omvang hiervan is beperkt en wordt momenteel niet als afzonderlijke categorie gerapporteerd, maar maakt onderdeel uit van de totale CO₂-voetafdruk. Daarom is deze categorie niet apart opgenomen in de tabel. 

9: Transport (downstream) 
Breman levert voornamelijk diensten (installatie, onderhoud en service) en geen fysieke producten die na verkoop nog door derden worden getransporteerd of opgeslagen. Materialen en installaties worden direct op projectlocaties verwerkt. In de beperkte gevallen waarin transport plaatsvindt, gebeurt dit grotendeels met eigen voertuigen en valt de uitstoot onder scope 1 of 2. Eventueel extern transport is zeer beperkt en maakt onderdeel uit van andere scope 3-berekeningen. Daarom is deze categorie niet afzonderlijk van toepassing. 

10: Bewerking van verkochte producten 
Breman verkoopt geen producten die na verkoop door derden verder worden bewerkt of verwerkt. Installaties zoals warmtepompen en cv-ketels worden door Breman zelf geplaatst en in bedrijf gesteld. Eventuele emissies die hierbij vrijkomen, maken onderdeel uit van onze eigen bedrijfsactiviteiten en zijn daarom opgenomen in andere scopecategorieën. Om die reden is deze categorie niet van toepassing. 

13: Geleasde activa (downstream) 
Breman verhuurt geen gebouwen, voertuigen of andere activa aan derden. Er is dus geen sprake van emissies die ontstaan door het gebruik van door Breman geleasde activa bij klanten of huurders. Alle activa worden uitsluitend gebruikt voor de eigen bedrijfsvoering. Daarom is deze categorie niet van toepassing. 

14: Franchises 
Breman Installatiegroep is geen franchiseorganisatie en werkt niet met franchisenemers. Alle vestigingen vallen volledig onder de eigen organisatie en zijn meegenomen binnen de organisatorische grenzen van dit verslag. Emissies van franchiseactiviteiten zijn daardoor niet van toepassing. 

15: Investeringen
Breman is geen financiële instelling en heeft geen investeringen die buiten de consolidatiegrenzen van de organisatie vallen. Alle deelnemingen die relevant zijn voor de bedrijfsvoering worden volledig meegenomen in de financiële én organisatorische scope van dit verslag. Eventuele investeringen die geen directe relatie hebben met de operationele activiteiten vallen buiten de scope van de CO₂-voetafdruk. Daarom is deze categorie niet van toepassing binnen dit verslagjaar.

Broeikasgasintensiteit per jaar

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

Indicator Broeikasgasintensiteit scope 1 + 2 Broeikasgasintensiteit scope 1 + 2 + 3
2019 26 2152
2024 17 1108
2025 15 1105

De grafiek laat de locatiegebaseerde uitstoot zien per omzet. De eenheid in de grafiek is uitgedrukt in ton CO₂e gedeeld door de geconsolideerde omzet in miljoenen euro's voor alle Nederlandse vestigingen van Breman. Deze indicatoren horen bij VSME B3 31.

Onze uitstoot geeft inzicht in waar onze impact ligt, maar is lastig te vergelijken met andere bedrijven. Om te kunnen vergelijken delen we hierboven de broeikasgasintensiteit. 

Hierin zien we de ontwikkeling over de afgelopen jaren. Hoewel de omzet van onze Nederlandse vestigingen is gegroeid, is de broeikasgasintensiteit sinds 2019 bijna gehalveerd, zowel voor scope  1 en 2 als voor scope  1, 2 en 3. Dat laat zien dat groei en verduurzaming samen kunnen gaan en dat de keuzes die we maken effect hebben.

Verdere verbetering kost tijd en kunnen we alleen samen bereiken. Met name in de waardeketen spelen factoren mee waar we niet volledig zelf over beslissen, zoals ontwerpkeuzes, gebruiksfase van installaties, regelgeving en omstandigheden bij klanten. Daarom werken we stap voor stap en samen met onze keten aan verdere verlaging van de broeikasgasintensiteit. Hoe we dit concreet aanpakken, lichten we ook toe in hoofdstuk 4.2 De grondstoffen van de toekomst en hoofdstuk 4.3 De cirkel rond: circulair werken.

Een man staat naast een werkbusje buiten.

​Onze volgende stappen in CO₂-reductie

In 2026 bouwen we verder op het fundament dat we dit jaar hebben gelegd. Met het klimaattransitieplan maken we de volgende stap: we bepalen duidelijke reductiedoelen per scope en kiezen per categorie welke maatregelen het meeste effect hebben. Bij scope 1 en 2 gaat het vooral om het verder verduurzamen van ons wagenpark en onze panden. In 2026 werken we verder aan de CO₂-routekaart voor onze eigen panden, zodat we gericht kunnen verduurzamen waar we directe invloed hebben. 

De grootste uitdaging zit in scope 3. Daarom gaan we verder samenwerken met leveranciers aan betere productdata en onderzoeken we hoe we duurzamere keuzes kunnen maken bij ingekochte producten en het gebruik van de installaties die wij plaatsen. We koppelen het dataplatform sterker aan het werk op de vestigingen, zodat collega’s steeds bewuster kunnen sturen op CO₂-impact. Zo blijven we, met het vakmanschap van honderd jaar, elke dag een stap verder komen richting minder uitstoot.