7.3 Zo zijn de cijfers opgebouwd
Achter de cijfers: berekeningsmethoden en uitgangspunten
Inleiding
In deze bijlage lichten we toe hoe de cijfers in dit jaarverslag zijn opgebouwd. We geven uitleg over de gebruikte berekeningsmethoden en de belangrijkste uitgangspunten bij een aantal indicatoren. Dit helpt om de cijfers in de hoofdstukken hiervoor goed te kunnen duiden en vergelijken.
De opzet van deze bijlage volgt de structuur van de betreffende sub‑subhoofdstukken in het jaarverslag. Per onderdeel geven we – waar nodig – een nadere toelichting op specifieke indicatoren. Alleen indicatoren waarvoor aanvullende uitleg relevant is, zijn hier opgenomen.
2.1.1 Zo bouwen we elke dag aan veiligheid
In dit onderdeel lichten we de wijze toe waarop de veiligheidsindicatoren uit hoofdstuk 2.1.1 Zo bouwen we elke dag aan veiligheid tot stand zijn gekomen.
Aantal ongevallen
Het aantal ongevallen betreft alle geregistreerde arbeidsongevallen die zich in het verslagjaar hebben voorgedaan bij werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van Breman. Hieronder vallen zowel ongevallen met letsel als kleinere incidenten, waaronder zogeheten pleister‑incidenten. In 2025 is de meldingsbereidheid verder toegenomen. Hierdoor worden ook kleine incidenten vaker geregistreerd. Dit kan leiden tot een hoger totaal aantal meldingen, zonder dat dit automatisch betekent dat het werk onveiliger is geworden.
Aantal ongevallen met verzuim
Ongevallen met verzuim zijn arbeidsongevallen van collega's die hebben geleid tot één of meer dagen verzuim. Deze indicator maakt onderscheid tussen de frequentie van incidenten en de ernst ervan. De cijfers zijn gebaseerd op vastgestelde verzuimregistraties en hangen samen met de Severity Rate (SR).
Ongevallenratio
De ongevallenratio geeft het aantal arbeidsongevallen weer in verhouding tot het aantal gewerkte uren. De ratio wordt berekend volgens de volgende formule:
(aantal arbeidsongevallen / aantal gewerkte uren) × 200.000
Verzuimpercentage
Het verzuimpercentage betreft het aandeel van het totaal aantal verzuimdagen ten opzichte van het aantal beschikbare werkdagen. Dit is een algemene HR‑indicator die breder binnen het jaarverslag wordt gebruikt en niet specifiek is ontwikkeld als veiligheidsmaatstaf. Binnen hoofdstuk 2.1.1 wordt het verzuimpercentage opgenomen als aanvullende context bij de veiligheidsindicatoren, maar de berekening en registratie volgen de reguliere HR‑systematiek.
Injury Frequency Rate (IF)
De Injury Frequency Rate (IF), ook wel ongevallenfrequentie‑index genoemd, laat zien hoe vaak arbeidsongevallen met verzuim of met dodelijke afloop voorkomen in verhouding tot het aantal gewerkte uren. De IF geeft daarmee inzicht in de frequentie van ernstigere arbeidsongevallen. De IF wordt berekend op basis van eigen collega’s volgens de volgende formule:
(aantal ongevallen met verzuim en dodelijke ongevallen × 1.000.000) / totaal aantal gewerkte uren van eigen collega’s
De berekening is volgens de methodiek van Veiligheid, Gezondheid en Milieu Checklist Aannemers (VCA) uitgevoerd waarbij alle ongevallen met uitzendkrachten en andere externe inhuur niet zijn meegenomen. Deze indicator wordt vrijwillig gerapporteerd.
Total Recordable Injury Rate (TRIR)
De Total Recordable Injury Rate (TRIR) geeft inzicht in het totaal aantal geregistreerde arbeidsongevallen in verhouding tot het aantal gewerkte uren. In deze indicator worden verschillende typen incidenten samengenomen om een volledig beeld te krijgen van geregistreerd letsel. De TRIR wordt als volgt berekend:
(aantal ongevallen met verzuim (inclusief dodelijke ongevallen) + ongevallen met aangepast werk + ongevallen met medische behandeling) × 1.000.000 / totaal aantal gewerkte uren
Deze indicator omvat zowel ernstigere ongevallen als incidenten waarbij medische behandeling nodig was of tijdelijk aangepast werk is verricht. De TRIR is daarmee gevoelig voor veranderingen in registratiewijze en meldingsbereidheid en wordt gebruikt als signaalindicator voor trends in geregistreerd letsel, niet als op zichzelf staande maatstaf voor veiligheidsprestaties.
Severity Rate (SR)
De Severity Rate (SR), ook wel verzuimernst genoemd, geeft inzicht in de verzuimduur als gevolg van arbeidsongevallen. Deze indicator laat zien hoeveel werkdagen verloren zijn gegaan door letsel in verhouding tot het totaal aantal gewerkte uren. De SR wordt als volgt berekend:
(totaal aantal verzuimdagen als gevolg van arbeidsongevallen × 200.000) / totaal aantal gewerkte uren
De Severity Rate is gevoelig voor incidenten met langdurig verzuim. De indicator wordt daarom gebruikt als aanvullende maatstaf om inzicht te krijgen in de ernst van ongevallen, naast frequentie‑indicatoren zoals IF en TRIR.
2.2.3 We zetten ontwikkeling centraal
In dit onderdeel lichten we de wijze toe waarop de opleidingsuren uit hoofdstuk 2.2.3 We zetten ontwikkeling centraal tot stand zijn gekomen. De gepresenteerde opleidingsuren hebben uitsluitend betrekking op interne opleidingsactiviteiten via de Breman Academy. Deze uren zijn op dit moment het meest betrouwbaar en volledig beschikbaar.
Gemiddeld aantal interne opleidingsuren per collega, per gender
Het gemiddeld aantal interne opleidingsuren per gender is berekend door het totaal aantal gevolgde interne opleidingsuren bij de Breman Academy te delen door het gemiddeld aantal collega’s in het boekjaar, uitgesplitst naar gender. Voor dit gemiddelde is gebruikgemaakt van het aantal collega’s per 31 december van het verslagjaar en het voorgaande jaar, gedeeld door twee. Deze systematiek wordt consequent toegepast voor zowel 2024 als 2025.
Gemiddeld aantal interne opleidingsuren per actieve deelnemer, per gender
Daarnaast tonen we het gemiddeld aantal interne opleidingsuren per actieve deelnemer aan de Academy. Deze indicator laat zien hoeveel opleidingsuren worden gevolgd door collega’s die daadwerkelijk deelnemen aan opleidingen en trainingen, en geeft daarmee inzicht in de intensiteit van leren.
Deze aanvullende indicator is opgenomen omdat externe opleidingsuren op dit moment nog niet volledig en betrouwbaar in beeld zijn. Hierdoor kan het gemiddelde aantal interne opleidingsuren per collega relatief laag lijken. Dat beeld doet geen recht aan het belang dat Breman hecht aan opleiding en ontwikkeling, die essentieel zijn om vakmanschap te versterken en de kwaliteit en veiligheid van ons werk te blijven garanderen. Door ook te kijken naar het aantal uren per actieve deelnemer ontstaat een vollediger beeld van de daadwerkelijke leerinspanning binnen de organisatie.
Externe opleidingsuren ontbreken nog
Externe opleidingsuren zijn nog niet opgenomen in de cijfers. Deze uren worden momenteel op verschillende manieren geregistreerd en zijn daardoor nog niet organisatiebreed betrouwbaar samen te brengen. In 2025 is een nieuw leermanagementsysteem (LMS) geselecteerd. Met de implementatie hiervan in 2026 kunnen zowel interne als externe opleidingsactiviteiten eenduidig worden geregistreerd en gekoppeld aan collega’s. Vanaf dat moment ontstaat een vollediger en consistenter beeld van het totale aantal opleidingsuren binnen Breman.
2.2.4 Onze arbeidsvoorwaarden: van vitaliteit tot verduurzaming
In dit onderdeel lichten we de wijze toe waarop de indicatoren uit hoofdstuk 2.2.4 Onze arbeidsvoorwaarden: van vitaliteit tot verduurzaming tot stand zijn gekomen.
Percentage niet‑gecorrigeerd loonverschil man/vrouw
Het percentage niet‑gecorrigeerd loonverschil man/vrouw geeft het verschil weer tussen het gemiddeld bruto uurloon van mannelijke en vrouwelijke collega’s, zonder correctie voor functie, functieniveau, leeftijd of dienstverband. De indicator wordt berekend volgens de volgende formule:
((gemiddeld bruto uurloon mannen – gemiddeld bruto uurloon vrouwen) / gemiddeld bruto uurloon mannen) × 100%
Percentage niet‑gecorrigeerd loonverschil man/vrouw (exclusief directie)
Naast het totale niet-gecorrigeerde loonverschil rapporteert Breman aanvullend het percentage niet‑gecorrigeerd loonverschil man/vrouw exclusief directieleden. Binnen Breman bestaat de directie grotendeels uit mannen en kennen directieleden een relatief hoger beloningsniveau. Deze functies verklaren daardoor een aanzienlijk deel (meer dan 50%) van het totale niet‑gecorrigeerde loonverschil tussen mannen en vrouwen. Om een beter beeld te krijgen van loonverschillen binnen vergelijkbare functies en functieniveaus in de rest van de organisatie, zijn deze functies bij deze indicator buiten beschouwing gelaten.
De berekeningswijze is gelijk aan die van het niet‑gecorrigeerde loonverschil zoals toegelicht in de alinea hierboven, alleen zijn de groepsdirectie, centrale directie van Breman Groepskantoor en vestigingsdirecteuren niet meegenomen.
Personeelsverloop
Personeelsverloop geeft het percentage collega’s weer dat de organisatie tijdens de verslagperiode heeft verlaten. Deze indicator biedt inzicht in de uitstroom van collega’s gedurende het boekjaar. Het personeelsverloop wordt berekend door het aantal collega’s dat tijdens de verslagperiode is vertrokken te delen door het gemiddeld aantal collega’s in dezelfde periode, uitgedrukt als percentage. Het gemiddeld aantal collega’s wordt bepaald op basis van het aantal collega’s aan het begin en aan het einde van de verslagperiode.
2.2.5 Iedere stem telt
In dit onderdeel lichten we de wijze toe waarop de dekking van werknemersvertegenwoordiging uit hoofdstuk 2.2.5 Iedere stem telt tot stand is gekomen. De dekking van werknemersvertegenwoordiging geeft het percentage collega’s weer dat formeel wordt vertegenwoordigd via de medezeggenschapsstructuur van Breman. Deze indicator laat zien in hoeverre collega’s binnen de organisatie vallen onder een vorm van formele vertegenwoordiging, zoals een ondernemingsraad, conform de Wet op de Ondernemingsraden (WOR).
Dekking van werknemersvertegenwoordiging (%)
Binnen Breman is de dekking van werknemersvertegenwoordiging 100% voor alle operationele Breman-bedrijven. Voor één organisatie binnen de groep (Gedie) geldt een afwijkende situatie. Bij Gedie werken voor een groot deel collega’s met een afstand tot de arbeidsmarkt, die onvoldoende in staat zijn om zelfstandig deel te nemen aan stemrondes of ondernemingsraadverkiezingen. Deze collega’s worden daarom niet meegeteld in de formele stemdeelname. Hun belangen worden wél zorgvuldig meegenomen via andere vormen van vertegenwoordiging, zoals jobcoaches. Deze werkwijze sluit aan bij de WOR en bij onze visie op gelijkwaardigheid: iedereen doet mee, op een manier die past bij ieders mogelijkheden.
Daarnaast vallen collega’s van bedrijven die in 2024 en 2025 onderdeel zijn geworden van de Breman Installatiegroep vanaf hun eerste werkdag onder de medezeggenschapsstructuur van hun vestiging. In overeenstemming met de WOR zijn collega’s pas na drie maanden verkiesbaar, maar zij worden vanaf dag één wel vertegenwoordigd door de ondernemingsraad. Hierdoor tellen ook nieuwe collega’s vanuit overnames volledig mee in het percentage collega’s dat formeel wordt vertegenwoordigd.
4.1 Minder uitstoot, meer impact
De indeling van de CO₂‑uitstoot van Breman in scope 1, 2 en 3 en de bijbehorende scope‑categorieën is gebaseerd op het Greenhouse Gas Protocol. In de bijlage bij onze duurzaamheidsstrategie lichten we deze scope‑categorieën uitgebreid toe en maken we inzichtelijk welke categorieën voor Breman van toepassing zijn en waarom.
In dit hoofdstuk beperken we ons daarom tot een toelichting op bijzondere keuzes, aannames en uitzonderingen in de berekeningsmethoden per scope of per specifieke scope‑categorie. Niet alle categorieën komen hier terug; alleen daar waar sprake is van afwijkingen, schattingen, beperkte datadekking of methodische aandachtspunten, geven we een nadere toelichting.
Deze toelichting vormt een aanvulling op de cijfers en analyses zoals gepresenteerd in hoofdstuk 4.1 Minder uitstoot, meer impact, waarin de ontwikkeling van onze CO₂‑voetafdruk en de verdeling over scopes en categorieën is weergegeven.
Scope 1-emissies
Wagenpark, ingekocht gas
De scope 1‑emissies van Breman zijn gebaseerd op werkelijke verbruiksdata en omvatten het brandstofverbruik van het wagenpark en het gasverbruik van onze panden. Voor Scope 1-emissies van het wagenpark wordt gebruikgemaakt van een brandstofgebasseerde-methode op basis van data afkomstig van de tankpassen aangeleverd door onze leasemaatschappijen. Voor het gasverbruik wordt het verbruik in m3 gebruikt. Slechts voor een beperkt aantal locaties waren ten tijde van het opstellen van dit verslag nog niet alle definitieve jaarafrekeningen met de verbruiken beschikbaar. In die gevallen is het ingekocht gas bepaald op basis van schattingen, onder andere door aansluiting te zoeken bij beschikbare meterstanden en het verbruik van het voorgaande jaar. Deze werkwijze is consistent toegepast. Voor het grootste deel van de panden is uitgegaan van werkelijke verbruiksgegevens.
Koudemiddelen (eigen installaties)
Breman beschikt op dit moment nog niet over een volledig betrouwbare en centrale registratie van koudemiddelen waarmee het mogelijk is om de uitstoot eenduidig toe te rekenen aan het gebruik bij eigen installaties enerzijds en installaties bij klanten anderzijds. In de praktijk gaat het hierbij bijvoorbeeld om koudemiddelen die worden bijgevuld tijdens beheer‑ en onderhoudswerkzaamheden, waarbij het onderscheid tussen eigen en klantinstallaties nog niet structureel kan worden gemaakt.
Om te borgen dat de totale uitstoot van koudemiddelen wel volledig wordt meegenomen en om dubbeltelling of onvolledigheid te voorkomen, is deze uitstoot integraal opgenomen in de spend‑based berekening van scope 3 categorie 1 (ingekochte goederen en diensten). Hiermee is de totale emissie in het verslag opgenomen, maar nog niet uitgesplitst naar de afzonderlijke scope‑categorieën zoals die inhoudelijk bedoeld zijn. Breman werkt de komende jaren gericht aan het opzetten van een betrouwbare en centrale koudemiddelenadministratie, zodat deze uitstoot in toekomstige verslagjaren beter kan worden onderscheiden en toegerekend aan de juiste scope‑categorieën.
Scope 2-emissies
Ingekochte stroom, wagenpark
Voor de berekening van de scope 2‑emissies (ingekochte elektriciteit) is aangesloten bij dezelfde werkwijze als toegelicht bij scope 1‑emissies. Het grootste deel van het elektriciteitsverbruik is gebaseerd op werkelijke verbruiksgegevens per locatie. Voor een beperkt aantal locaties waren de definitieve jaarafrekeningen bij het opstellen van dit verslag nog niet beschikbaar; in die gevallen is het verbruik geraamd op basis van beschikbare meetinformatie en historisch verbruik. Ook tonen wij in deze categorie de scope-2 emissies van ons wagenpark. Hierbij gaat het om het elektriciteitsverbruik afkomstig van het elektrisch laden van onze voertuigen. De scope 2‑emissies worden zowel locatiegebaseerd als marktgebaseerd gerapporteerd, in overeenstemming met de geldende richtlijnen. De gebruikte emissiefactoren voor de marktgebaseerde emissie zijn gebaseerd op een centraal afgesloten elektriciteitscontract met onze energieleverancier voor de inkoop van groene stroom. Dit contract dekt 93% van het totale elektriciteitsverbruik en is onderbouwd met een Groen certificaat hernieuwbare energie. Voor deze ingekochte elektriciteit wordt een emissiefactor van 0 kg CO₂/kWh toegepast, gebaseerd op de specifieke kenmerken van het contract.
Scope 3-emissies
Categorie 1: Ingekochte goederen en diensten
Deze categorie is berekend volgens de spend‑based methode in lijn met het Greenhouse Gas Protocol. Hierbij is de uitstoot bepaald op basis van inkoopgegevens per leverancier, gecombineerd met emissiefactoren uit een erkende database. Voor de emissieomrekenfactoren is gebruikgemaakt van US‑EPA‑data, een internationaal veelgebruikte bron met sectorspecifieke emissiefactoren voor goederen en diensten. Deze aanpak sluit aan bij de huidige beschikbaarheid van data in de keten.
Omdat leveranciers vaak een mix van producten en diensten leveren en productspecifieke data nog beperkt beschikbaar is, is per leverancier één representatieve emissiefactor toegepast. Daarbij is bewust gekozen voor een voorzichtige benadering, om onderschatting van de uitstoot te voorkomen.
Binnen deze categorie is ook de uitstoot van koudemiddelen meegenomen. Omdat het onderscheid tussen koudemiddelen toegepast bij eigen installaties en bij installaties van klanten nog niet integraal kan worden gemaakt, is deze uitstoot volledig opgenomen in deze categorie. Hierdoor is de totale uitstoot volledig meegenomen in de CO₂‑voetafdruk, maar nog niet uitgesplitst naar de inhoudelijk bedoelde scope‑categorieën.
Breman werkt de komende jaren samen met leveranciers aan betere en meer gedetailleerde product‑ en leveranciersspecifieke data. Hiermee wordt stapsgewijs toegewerkt naar een verfijning van deze categorie, waarbij de afhankelijkheid van spend‑based aannames afneemt en een meer leveranciersspecifieke toerekening mogelijk wordt. Daarbij is Breman nadrukkelijk afhankelijk van de datavolwassenheid in de upstream waardeketen.
Categorie 2: Kapitaalgoederen
Deze categorie is berekend volgens de spend‑based methode in lijn met het Greenhouse Gas Protocol. Voor scope 3 categorie 2 (kapitaalgoederen) neemt Breman alle investeringen mee in de berekening van de CO₂-emissies, in lijn met de gehanteerde financiële verslaggevingsgrondslagen. Daarnaast worden materiële vaste activa in uitvoering (construction in progress) meegenomen in deze categorie. Dit betekent dat ook investeringen die zich nog in de realisatiefase bevinden, zoals gebouwen, installaties en andere kapitaalintensieve projecten, worden opgenomen in de bepaling van de emissies.
Dit wordt gekoppeld aan emissiefactoren uit onder andere de BEIS- en US‑EPA‑database, dit zijn internationaal gebruikte bronnen met sectorspecifieke emissiefactoren voor goederen en diensten. Omdat gedetailleerde product‑ of leveranciersdata bij de aanschaf van kapitaalgoederen nog beperkt beschikbaar is, is per uitgavencategorie gewerkt met representatieve emissiefactoren. Breman werkt de komende jaren aan verdere verfijning van deze categorie door stapsgewijs toe te werken naar meer product‑ en leveranciersspecifieke data. De mate waarin dit mogelijk is, is mede afhankelijk van de datavolwassenheid in de upstream waardeketen.
Categorie 3: Brandstof en energie
Scope 3 categorie 3 omvat de indirecte uitstoot die samenhangt met de winning, productie en het transport van brandstoffen en energie die Breman gebruikt, voor zover deze emissies niet al zijn opgenomen in scope 1 en 2. Het gaat hierbij om de ‘well‑to‑tank’‑emissies (WTT) van brandstoffen en ingekochte elektriciteit en gas. De berekening voor deze categorie is gebaseerd op de geregistreerde hoeveelheden brandstof en energie, gecombineerd met standaard emissiefactoren die deze upstream uitstoot meenemen. Hiermee is de uitstoot op een consistente manier bepaald, aansluitend op de gegevens die ook zijn gebruikt voor scope 1 en 2. Omdat deze categorie volledig voortbouwt op de energie‑ en brandstofgegevens die al beschikbaar zijn binnen de organisatie, zijn geen aanvullende aannames op leveranciers‑ of product niveau nodig. De berekeningsmethodiek is daardoor relatief stabiel en goed vergelijkbaar tussen jaren.
Categorie 4: Transport (upstream)
Een deel van de uitstoot van deze categorie is verwerkt binnen scope 3 categorie 1 (ingekochte goederen en diensten). Dit betreft situaties waarin transportkosten zijn inbegrepen in de facturen van ingekochte goederen en diensten en geen afzonderlijke, betrouwbare transportdata op zending‑ of leveranciersniveau beschikbaar is. In die gevallen maakt het transport onderdeel uit van de spend‑based berekening op basis van inkoopuitgaven. Voor het deel van de transportkosten waarvoor wel inzicht beschikbaar is op leveranciersniveau, is de uitstoot afzonderlijk spend‑based berekend en toegerekend aan categorie 4. Hiermee is dit deel expliciet zichtbaar gemaakt binnen de juiste scope‑categorie.
Categorie 5: Afval
Voor scope 3 categorie 5 (afval) is in de verslagjaren 2019 en 2024 de uitstoot bepaald op basis van de spend‑based berekening van scope 3 categorie 1, waarbij afvalgerelateerde emissies zijn meegenomen op basis van inkoopuitgaven en vervolgens zijn geclassificeerd naar categorie 5. Dit was passend bij de toen beschikbare gegevens.
2025 is het eerste jaar waarin voor deze categorie een inhoudelijke, afvalspecifieke berekeningsmethode is toegepast. Hierbij is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van directe en specifieke data. Waar afvalinzamelaars zelf betrouwbare CO₂‑gegevens konden aanleveren, is deze supplier‑specific informatie gebruikt. Voor overige afvalstromen is de uitstoot berekend op basis van hoeveelheden afval (in kilogrammen) en toegepaste verwerkingsmethoden.
Voor de emissiefactoren bij afvalverwerking is gebruikgemaakt van BEIS‑emissiefactoren (UK Government). Deze bron bevat actuele en internationaal gebruikte emissiefactoren per afvalsoort en verwerkingsmethode. Waar informatie over de verwerkingsmethode ontbrak, is bewust gekozen voor een voorzichtige aanname (zoals verbranding met energieterugwinning) om onderschatting van de uitstoot te voorkomen. Het ontbrekende deel van de data is zeer beperkt en verwaarloosbaar ten opzichte van het totaal.
Sinds 2025 werkt Breman met twee vaste afvalinzamelaars voor het merendeel van de organisatie. Hierdoor neemt de beschikbaarheid, volledigheid en vergelijkbaarheid van afvaldata toe en kan deze categorie de komende jaren steeds consistenter en betrouwbaarder op groepsniveau worden berekend.
Categorie 6 en 7: Woon-werk en zakelijk verkeer
Scope 3 categorie 6 (zakelijk verkeer) en categorie 7 (woon-werkverkeer) omvatten de indirecte emissies van mobiliteit van medewerkers. Het onderscheid tussen beide categorieën wordt overgenomen uit het salarissysteem. De emissies worden berekend op basis van geregistreerde kilometers en door medewerkers opgegeven vervoersmiddelen. Hierbij worden standaard emissiefactoren per kilometer per type voertuig gebruikt van co2emissiefactoren.nl.
Categorie 11: Gebruik verkochte producten
Scope 3 categorie 11 is uitgewerkt voor de productgroepen met energieverbruik: warmtepompen, cv‑ketels, MV, WTW‑ventilatieboxen, airco’s en hybride warmtepompen. Producten en onderdelen zonder energieverbruik (zoals leidingen en appendages) zijn niet meegenomen.
De berekening is opgebouwd volgens een lifetime‑benadering. Per productgroep is het jaarlijks gemiddeld energieverbruik (elektra en/of gas) bepaald, vermenigvuldigd met de bijbehorende emissiefactoren en de levensduur van het product. Voor de emissiefactoren is gebruikgemaakt van co2emissiefactoren.nl, waarbij steeds de factor van het betreffende rapportagejaar is toegepast.
Belangrijke aannames en keuzes:
- Alleen directe gebruiksfase‑emissies zijn nu in categorie 11 meegenomen. Emissies van koudemiddelen die tijdens beheer en onderhoud worden bijgevuld, vallen (tijdelijk) buiten deze categorie en zijn in categorie 1 van scope 3 verwerkt.
- De levensduur per productgroep is gebaseerd op gegevens uit de Nationale Milieudatabase, omdat productspecifieke LCA’s nog beperkt beschikbaar zijn. Deze keuze wordt herzien zodra betere data beschikbaar komt.
- Het jaarlijkse energieverbruik is gebaseerd op genormeerde en landelijk representatieve bronnen (zoals NTA8800 en Milieucentraal), omdat (nog) niet alle installaties individueel worden bemeterd.
Categorie 12: End of life verkochte producten
Deze categorie is uitgewerkt voor dezelfde productgroepen als categorie 11, voor zover sprake is van relevante materiaalstromen aan het einde van de levensduur. De berekening sluit daarmee logisch aan op de eerder beschreven gebruiksfase.
De berekening is gebaseerd op de aantallen verkochte installaties per productgroep, gecombineerd met productspecifieke levenscyclusanalyses (LCA’s) van fabrikanten voor de end‑of‑life‑fase (C1–C4). Waar deze beschikbaar zijn, zijn deze waarden direct overgenomen vanuit de LCA’s, die zijn geverifieerd door externe partijen en onder andere zijn opgenomen in of gekoppeld aan de Nationale Milieudatabase.
Wanneer voor bepaalde producten geen productspecifieke LCA beschikbaar is, is gewerkt met een representatieve LCA uit dezelfde productgroep, waarbij bewust is gekozen voor de hoogste end‑of‑life‑uitstoot om onderschatting te voorkomen. Hiermee wordt geborgd dat de uitstoot van deze levensfase volledig en voorzichtig wordt meegenomen.
4.2 De grondstoffen van de toekomst
In dit onderdeel lichten we de wijze toe waarop de indicatoren uit hoofdstuk 4.2 De grondstoffen van de toekomst tot stand zijn gekomen.
Aantal kilo's per afvalstroom
Voor de rapportage over afvalstromen in 2025 maakt Breman gebruik van de afvaldata die wordt aangeleverd door haar afvalinzamelaars. Deze data bestaat uit het type afvalstroom, de hoeveelheid afval (in kilogrammen) en de toegepaste verwerkingsmethode per afvalstroom. De gegevens van de verschillende afvalinzamelaars zijn samengebracht in één centrale dataset.
Breman heeft de betrouwbaarheid van deze data beoordeeld door vast te stellen welke afvalinzamelaars in 2025 zijn gebruikt, of de aangeleverde afvalstromen en hoeveelheden plausibel en consistent zijn, en of de toegepaste verwerkingsmethoden logisch aansluiten bij het type afval. Bij onduidelijkheden is aanvullende toelichting gevraagd aan de betreffende afvalinzamelaar. Voor de grootste afvalinzamelaars is vastgelegd welke bronnen en definities zij hanteren voor de indeling van afvalstromen en verwerkingsmethoden, en is deze indeling intern getoetst door inhoudelijke experts van Breman. Waar informatie ontbrak, zijn voorzichtige aannames toegepast om vertekening van het totaalbeeld te voorkomen. Op basis hiervan concludeert Breman dat de afvaldata over 2025 een voldoende betrouwbaar beeld geeft van de afvalstromen, hoeveelheden en verwerking binnen de organisatie.
Classificatie gevaarlijk/niet-gevaarlijk
Definitie gevaarlijk
Onder gevaarlijk afval verstaat Breman afvalstoffen die eigenschappen hebben die schadelijk kunnen zijn voor het milieu en/of risico’s opleveren voor de gezondheid en veiligheid van mensen bij inzameling, transport, verwerking of verwerking. Dit betreft bijvoorbeeld afvalstoffen met toxische, brandbare, corrosieve of anderszins gevaarlijke kenmerken.
Definitie niet-gevaarlijk
Niet‑gevaarlijk afval betreft afvalstromen die geen gevaarlijke eigenschappen hebben voor milieu of menselijke gezondheid en die onder normale omstandigheden veilig kunnen worden ingezameld en verwerkt.
Dataverzameling en classificering
Het onderscheid tussen gevaarlijk en niet‑gevaarlijk afval wordt in de praktijk gemaakt door één van de twee vaste afvalinzamelaars waarvan Breman de data ontvangt. Deze afvalverwerker classificeert de afvalstromen per type afval op basis van geldende wet‑ en regelgeving. De door de afvalinzamelaar gehanteerde classificatie is intern beoordeeld door inhoudelijke experts van Breman, die hebben vastgesteld dat deze indeling aansluit bij de aard van de werkzaamheden en afvalstromen binnen de organisatie. Breman neemt deze classificatie daarom over voor de rapportage in dit jaarverslag.
Verwerkingsmethode
De informatie over de toegepaste verwerkingsmethoden is rechtstreeks afkomstig uit de rapportages en databestanden van de betrokken afvalinzamelaars waarmee Breman samenwerkt. De afvalinzamelaars bepalen per afvalstroom welke verwerkingsmethode wordt toegepast, zoals hergebruik, recycling, verbranding of stort, op basis van hun eigen processen en de geldende wet‑ en regelgeving. Breman neemt deze classificatie over zoals aangeleverd. We hebben de betrouwbaarheid hiervan gevalideerd zoals bovenaan in dit deel is beschreven.
4.3 De cirkel rond: circulair werken
In dit onderdeel lichten we de wijze toe waarop de indicatoren uit hoofdstuk 4.3 De cirkel rond: circulair werken tot stand zijn gekomen.
Aantallen en impact gereviseerde onderdelen
De cijfers over gereviseerde onderdelen en de bijbehorende CO₂‑impact zijn rechtstreeks afkomstig van onze revisiepartner. Zowel de aantallen gereviseerde producten als de vertaling naar CO₂‑impact zijn door deze partner aangeleverd. Breman heeft deze gegevens niet afzonderlijk gevalideerd of getoetst op betrouwbaarheid. De cijfers zijn overgenomen zoals aangeleverd en opgenomen om inzicht te geven in de bijdrage van revisie aan circulariteit en het verminderen van materiaalgebruik. We hebben de lagere CO₂‑impact door gereviseerde onderdelen niet in mindering gebracht van onze CO₂‑voetafdruk. Dit is in lijn met het Greenhouse Gas Protocol. In de toekomst onderzoekt Breman of en hoe deze cijfers verder kunnen worden gevalideerd en onderbouwd, zodat de CO₂‑impact van revisieonderdelen nog consistenter en beter vergelijkbaar kan worden gerapporteerd.